Terwijl Nederland bezig was met de wederopbouw van het land na de Tweede Wereldoorlog, woedde er in Indonesië nog een bloedige strijd tussen Indonesiërs, Engelsen en Nederlanders. De Japanners hadden zich overgegeven maar waarom moest er dan nog gevochten worden? De inzet was hoog: de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesia.

Van de 350.000 Indische Nederlanders die het land van hun geboorte ontvluchtten in de jaren vijftig van de afgelopen eeuw, werden tijdens de Japanse bezetting ruim 130.000 burgers en krijgsgevangenen geïnterneerd in kampen of tewerkgesteld aan de spoorweg in bijvoorbeeld Birma. De anderen – voornamelijk Indo-Europeanen – brachten de Japanse bezetting door buiten de kampen in een steeds vijandiger wordende leefomgeving. NPO2 zond vorig jaar de aangrijpende documentaire ‘Buitenkampers’ uit over deze periode.

bersiap pemoedaNa de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 werden de voorheen geïnterneerden en de buitenkampers doelwit van de plunderingen en moordpartijen door Indonesische nationalisten; de pemoeda’s (jongeren/jeugd). Tijdens de Japanse bezetting speelden de Japanners in op de nationalistische gevoelens van deze jongerengroeperingen op Java. Ze waren blij met de Japanners: Azië was voor Aziaten. Alles beter dan die Nederlanders.

Onder leiding van de nationalistische Soekarno die inmiddels was vrijgelaten uit de gevangenis werd op 17 augustus 1945 – twéé dagen na de capitulatie van Japan – de onafhankelijkheid van de bersiap-antidutchwebRepubliek Indonesia uitgeroepen. Onder luid geschreeuw en gewapend met bamboespiessen, messen en dolken trokken de groepen losgeslagen radicale jongeren door de straten van het paradijs van mijn grootouders. Moordend. Martelend. Vernietigend naar alles wat Nederlands of Vaderlandsgezind was of hun onafhankelijkheid in de weg stond.

Hidoeplah Repoeblik Indonesia! Mèrdekáh! Mèrdekáh! Mèrdekáh!

Wat moet het beangstigend zijn geweest om deze kreten te horen wetende dat deze gevaar en in de meeste gevallen mensonterend martelingen en de dood met zich meebrachten. Vanwege de soms zeer wrede praktijken van de pemoeda’s zoals verbrandingen en onthoofdingen, kregen de Japanners opdracht om de zwaar bedreigde mensen in kampen te beschermen. De beschermers waren dezelfde Japanners die nog maar zo kort ervoor jarenlang hun ergste vijand waren geweest. Kun je het je voorstellen?

De gewelddadige periode na de capitulatie wordt de Bersiap (wees paraat)-tijd genoemd. Deze periode duurde van augustus 1945 tot november 1946. Nederlandse troepen waren nog niet aanwezig. De geallieerden, met name de Britten, kregen de verantwoordelijkheid de archipel te (her)bezetten. Het Nederlands-Indische bestuur dat tijdens de bezettingstijd in Australië was blijven voortbestaan kon vrijwel geen invloed op de gebeurtenissen uitoefenen. Het was het begin van de Indonesische revolutietijd met een explosie van anti-koloniaal geweld.

In het tweeluik ‘Archief van Tranen’ worden de vrijwel onbekende massamoorden op burgers met de Nederlandse nationaliteit belicht. Een woord van waarschuwing is op zijn plaats: het zijn ontzettend schokkende verhalen. Ik kon mijn tranen tijdens allebei de afleveringen met geen moeite in bedwang houden en het werd mij meer dan eens duidelijk waarom er door mijn grootouders nooit over de oorlog werd gesproken. Ik kreeg wel antwoorden op mijn vragen als ik ze stelde maar niet meer dan dat. Nu snap ik waarom. Te heftig. Te moeilijk. Teveel. Te gruwelijk.

vertrekbataviaDat het in Indonesië te gevaarlijk werd voor de Indische Nederlanders is een understatement. Velen van hen lieten gedwongen huis en haard achter om de lange overtocht per boot naar het koude Nederland te maken. Kleding voor de koude winter werd geschonken – zou je denken – door het Rode Kruis. Aangekomen in Nederland werden de Indische Nederlanders ondergebracht bij familie als daar ruimte voor was, in pensions of in de concentratiekampen in Vught of Westerbork. Van kamp naar kamp. In deze pensions had men niets. Het was armoede. Echte armoede. Je kleding wassen? Doe dat lekker in de sneeuw. Douchen? Een keer per week. Bezoek ontvangen? Alleen op aangegeven tijden. Geen verwarming, geen privacy, weinig voorzieningen en belanda’s (Nederlanders) die ze als apen behandelden. Of we dan ook in boomhutten hadden gewoond. Tuurlijk. Slingerend van liaan naar liaan. Krijg je het voor elkaar om aan een baantje te komen? Dan mag je 60% van je salaris inleveren.

De manier waarop eigen volk hier in Nederland behandeld werd bij hun terugkeer maakt me boos. Ik vind het op z’n zachtst gezegd walgelijk. De kleding waar ik het net over had? Geschonken door het Rode Kruis? Grapje! Wilt u dat even aan de Nederlandse regering betalen van het geld dat u niet heeft? Om te janken zo schandalig. Meer informatie over de repatriëring van Indische Nederlanders en de opvang hier in Nederland heb ik uit de documentaire ‘Contractpensions’ kunnen halen.

Het contrast met de huidige realiteit in Nederland is groot. Asielzoekerscentra zijn tot de nok toe gevuld met onze belastingcenten en men krijgt bij aankomst in Nederland zoveel dat het als een mes in de rug van de Nederlands-Indische bevolking moet voelen. 70 jaar later: nog steeds geen woord van spijt.


Als kleinkind van oorlogsslachtoffers weet ik als geen ander welke rol de oorlog heeft gespeeld in het leven van mijn grootouders en ouders. Praten was er niet bij. Verhalen die ik als kind over Indië te horen kreeg waren verhalen over een paradijs. Beeldende verhalen over een kleurrijk en gemoedelijk paradijs gevuld met wilde dieren, bloemen, planten, geuren en voornamelijk eten. Maar ik zag ook de stilte, het verdriet en het gemis als mijn oma de verhalen met deelde. Ook de verhalen van mijn andere oma en overgrootvader, militair bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en later krijgsgevangene  hebben veel met me gedaan. De laatste generatie die nog iets kan vertellen over deze gruwelijke en bijna vergeten oorlog dunt steeds verder uit. Ik zie het als mijn taak de geschiedenis en afkomst van mijn familie in leven te houden. Want als er niemand meer aan denkt, bestaat het ook niet meer.