‘Ze hebben nieuws over Remy,’ zegt hij zacht en mijn ogen worden groot. Maar Jareto aarzelt, alsof hij bang is om het me te vertellen. Verschillende scenario’s schieten door mijn hoofd. Ze hebben vast en zeker zijn lichaam ergens in de greppel gevonden. Vermoord door een God.
Jareto kijkt me niet aan, vouwt zijn handen in en uit elkaar, speelt met de familiering die om zijn wijsvinger zit.
Remy heeft er ook een.
‘Remy…’ fluistert Jareto. ‘Er gaan geruchten rond dat hij in de Hemel is.’
Mijn adem stokt en mijn mond valt open. ‘Hebben ze hem gegijzeld?’ is de eerste vraag die bij me opkomt, maar Jareto’s gezicht vertelt me al het antwoord: nee.
Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee, hij behoort nu tot de Goden. Hij heeft de overstap gemaakt op de dag dat hij de stap uit ons leven zette. Daarom is hij weg en hebben we hem nooit meer gezien.’
Van ongeloof schud ik mijn hoofd. Het kan niet waar zijn! Remy is geen God! Hij heeft al dat kwaad niet in zich. Remy is zorgzaam en lief, denkt altijd aan anderen. Hij kan geen God zijn!
Mijn hart breekt in duizenden stukken en tranen wellen op bij de gedachte dat mijn oudste broer werkelijk een God is geworden.

‘Maar Remy is geen Master. Hij heeft pas zilver,’ zeg ik als laatste argument hardop.
Jareto’s lippen worden nog dunner. ‘Je weet dondersgoed dat we het in ons hebben om een Master te worden,’ zegt hij en klinkt een beetje verwijtend.
‘IEDEREEN kan een Master worden! En wat dan nog als we het in ons hebben omdat pa een Master is! Remy heeft het karakter niet van een God!’ Ik probeer de snikken in te houden. Remy is een God en dat betekent dat we hem nu moeten vrezen.

Jareto staat op en trekt zijn overhemd recht.
‘Ga je klaarmaken. Mam en pap hebben een sterke versie van ons nodig. Die schreeuw van net kwam van mam… Ik denk dat ze nu rijp is voor het gesticht,’ zegt hij ernstig en loopt naar de deur. Daar draait hij zich weer om.
‘Oh, en mondje dicht tegen die Rivers-jongen van je tot we zekerheid hebben,’ en met een klik sluit hij de deur achter zich.
Alsof Tyas het nog niet zal hebben gehoord… Geruchten gaan in de stad rond als een lopend vuurtje. Vooral als het om de kinderen van Didier Donovan of Rick Rivers gaan.
Jareto heeft niets tegen Tyas of onze relatie, maar hij zegt dit natuurlijk om onze naam zuiver te houden tegen over de Rivers. Alsof  Tyas en ik nog niet op de hoogte zijn van de kwaaltjes van beide families.
De sfeer in het huis is zo gespannen als een pijl op een boog die ieder moment een hert kan neerschieten. Mam zit huilend – of eigenlijk krijsend – in haar fauteuil, hartbrekend is het geluid, en mijn pa staat in de keuken. Een kop koffie in zijn ene hand en met de ander steunt hij op het aanrecht. Hij staart naar buiten. Ik volg zijn blik en zie dat Jareto door de voortuin loopt. Met een verslagen houding loopt hij daar hoofdschuddend en stapt op zijn zwarte herenfiets.
Ik weet niet zo goed wat ik moet doen of zeggen tegen mijn ouders en besluit om ook naar buiten te gaan. Ik ontbijt niet, nu krijg ik toch geen hap door mijn droge keel. Ik wil hier gewoon weg, weg naar een plek waar ik me beter kan voelen. Een plek waar Tyas is.
‘Taïra,’ zegt mijn vader en stijf blijf ik bij de keukendeur staan, starend naar buiten. ‘Je gaat niet naar die Rivers-jongen,’ en ik draai me met een ruk om. Zwijgend kijk ik hem verontwaardigd aan.
Hij schudt zijn hoofd, de blik in zijn ogen geeft pijn weer. Pijn om het nieuws van Remy.
‘Wat heb je liever?’ vraag ik kwaad. ‘Dat ik alleen – onbewaakt – over straat loop of dat Tyas een poging doet om mij te beschermen tegen de Goden?’ Ik kan niet geloven dat hij op een moment als deze moeilijk gaat doen over mijn relatie met Tyas!
Mijn pa knijpt zijn ogen tot spleetjes. ‘Hij kan je niet beschermen tegen de Goden.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Wat wil je dan?’ Ik negeer het feit dat hij mijn vriendje niet waardig genoeg vindt voor mijn veiligheid. Tyas is minstens zo sterk als Remy.

Mijn vader zwijgt en ik duw de deur open. Kwaad loop ik naar buiten en pak mijn telefoon. Tegen mijn pa’s wil in sms ik Tyas. Ik zeg hem dat we elkaar over twintig minuten in het centrum zien. Mijn pa zou het nooit tolereren als Tyas een voet op onze grond zou zetten vandaag, of ik op de Riversside.
Ik krijg geen reactie van Tyas, maar ik weet dat hij het wel leest. Hij woont maar vijf minuten van het centrum af.
Via een vaste route loop ik naar de tramhalte. Het is de eerste keer sinds Remy’s vermissing dat ik de tram neem.

Het is een warme dag vandaag en gelukkig ben ik zomers gekleed. Een jurkje met bloemenprint. Een en al vrolijkheid straalt het uit, maar van binnen voel ik me zo somber als een ijskoude winterdag. Het nieuws over Remy en de Goden is net zo zwaar gevallen als het besef dat hij nooit meer thuis zal komen. De blik in mijn vaders ogen zei al genoeg: Remy is dood voor hem. Daarom is mam zo verdrietig. Nu Remy bij de Goden hoort, beschouwen de Donovans hem als dood.
Het is een gerucht, maar 99% van de geruchten die hier rond gaan, zijn 100% waar. Dat Remy nu als dood wordt beschouwd, betekent dat wij hem opgeven. De zoektocht, het gemis en de pijn zal langzaam stoppen. Natuurlijk blijven het gemis en de pijn altijd, maar daar zullen we mee leren leven. We stoppen nu met hopen dat we Remy ooit nog levend terug zullen zien, of überhaupt nog terug zullen zien. Voortaan zal er over Remy worden gesproken als iemand uit het verleden.

De rood-groene tram komt aan met remt langzaam af. Een druk op de knop opent de automatische deuren en ik stap in. Het is druk en een walm van zweet en koffie vult de tram. Ik neem plaats op een stoel bij het raam, richt mijn blik op de buitenwereld. Ik voel de ogen op me branden en ik kijk om.
Een klasgenootje glimlacht kort naar me. Het is echt een pity-glimlach. Bah, zij heeft het ook al gehoord. Ik negeer haar en vouw mijn handen in elkaar, kijk ernaar. Witte, lange nagels en onverzorgde nagelriemen… Daar moet ik echt iets aan doen.

Concentrerend op de knoop in mijn maag zie ik de wereld om me heen verdwijnen. Alles om me heen wordt zwart, maar ik raak niet in paniek. Het is een van de trucs die ik beheers. Altijd als ik alleen wil zijn, sluit ik de wereld om me heen af. Ik zie hen niet en zij zien mij als een vage schim: zichtbaar, maar onbereikbaar en onaantastbaar.

Pas als we bij de halte in het centrum komen, kom ik terug in de wereld en stap uit. Tyas staat verderop en naar hem kan ik wel glimlachen. Ik weet niet of hij het al weet over Remy, maar ik heb zo’n vermoeden dat hij dat wel doet.
Zijn lichtblonde haren waaien op door een briesje en laten zijn groene ogen zien. De glimlach om zijn gezicht wordt breder en hij knikt nonchalant naar me alsof ik een van zijn maten ben. Zijn blauwe shirt zit strak om zijn gespierde bovenlichaam. Hij is niet super breed of super gespierd, maar hij heeft wel een afgetraind lichaam. Zijn korte broek geeft zijn zongebruinde benen de kans om nog bruiner te worden. Hij draagt de witte Vans, die ik hem laatst heb gekocht.

Ik loop op hem af en hij reikt zijn hand naar me uit. Zodra ik hem vastpak, trekt hij me naar zich toe en drukt zijn lippen op de mijne. Even vergeet ik het slechte nieuws van een uur geleden.
‘Babe,’ zegt hij als begroeting en ik geef hem nog een kus.
‘Ik heb het gehoord,’ zegt hij daarna meteen en geeft me een blik vol medeleven, wrijft troostend over mijn arm. Hoofdschuddend sluit ik mijn ogen en de pijn komt weer naar boven. Tyas slaat zijn armen om me heen en drukt me stevig tegen zich aan. Ik snuif zijn lichaamsgeur op en begraaf mijn gezicht in zijn shirt.
‘Ik wil hem niet opgeven,’ fluister ik in zijn shirt en Tyas pakt mijn gezicht vast, kijkt me verward aan.
‘Taïra, hoe hard het ook klinkt: je krijgt Remy nooit meer terug.’
Dat is een voordeel en een nadeel aan Tyas: zijn eerlijkheid en directheid.


Gefrustreerd ga ik met mijn hand door mijn lange, donkere haren en draai me om, mijn gezicht richting de trams.
Opeens voelt het alsof de lucht uit mijn longen wordt geslagen en mijn maag honderdtachtig graden omdraait.
‘Taïra?’ hoor ik Tyas zeggen, maar ik kan niet reageren.
‘Babe, wat is er?’ en hij pakt mijn hand vast, ik knijp er hard in. Een stevige wind komt opzetten en waait de haren in mijn gezicht. Agressief veeg ik ze weg en zie de tram wegrijden.
‘Nee! Niet weggaan!’ roep ik en mijn benen rennen erachteraan. Mijn ogen zijn nog gefixeerd op de persoon in de tram.

Tyas grijpt me bij mijn middel en trek me terug voordat een andere tram me dood kan rijden. Alsof ik een klap in mijn gezicht krijg, kom ik terug bij Tyas en hij kijkt me boos aan.
‘Waar sloeg dat op?’ vraagt hij en houdt me nog steeds vast. Ik sluit mijn ogen, wil weg van deze wereld, maar Tyas slaat me zachtjes in mijn gezicht.
‘Nee, niet verdwijnen! Wat is er aan de hand?’
Mijn keel voelt droog en ik kijk hem aan. Mijn hart bonkt in mijn hoofd en ik haal diep adem.
‘Remy,’ zeg ik met een brekende stem. ‘Hij stond in die tram.’
Tyas kijkt in de richting waar de tram heen ging. ‘Babe, Remy is in de Hemel. Die komt niet meer hier.’
Ik wil tegenstribbelen, maar mijn stem en lichaam zijn te verstijfd. Ik weet namelijk honderd procent zeker dat Remy in die tram stond.

Tyas trekt me mee naar Sounds & Coffee, een cd-winkel/koffieshop. Hier hebben we elkaar vier en een half jaar geleden ontmoet en nog steeds gaan we er graag samen heen. We zijn nu ongeveer drie jaar samen.
Ja, het was liefde op het eerste gezicht, maar we wisten dat de ander verboden terrein zou zijn. Daarbij kwam ook nog het feit kijken dat Tyas destijds een ander meisje had. Pas toen hij haar duidelijk had gemaakt dat zij het niet voor hem was, kregen wij iets. Het heeft anderhalf jaar geduurd voordat we beiden beseften dat we elkaar niet uit ons hoofd konden zetten.

Binnenin Sounds zitten zijn maten – Rivers – al in de vaste hoek.
‘Yo Donovan!’ wordt er door meerderen naar me geroepen en ik geef hen een nonchalant knikje, dezelfde die Tyas mij eerder ook gaf.
Ik loop door naar de hoek terwijl Tyas koffie bestelt. Op de oude bruinleren bank neem ik plaats. Het is een donker hoekje bij het raam, een plek die iedere dag is gereserveerd voor deze vriendengroep. Twee tweezitbanken en drie fauteuils staan gezellig opgesteld met glazen salontafeltjes. De vloer toont slijtplekken van de vele voetstappen die er dagelijks over heen gaan.

Het is altijd rustig in Sounds en we komen hier om te chillen.
‘Hoe is het met je?’ vraagt een van zijn maten en slaat vriendschappelijk een arm om mijn schouder.
Kort knik ik. ‘En met jou?’
Hij knikt ook. Bolle noemen ze hem, omdat hij een beetje mollig is. Eerlijk gezegd weet ik zijn echte naam niet eens. Bolle is een van de aardigste jongens van de Riversside. Hij geeft niet zoveel om de twee clans die strak tegenover elkaar staan. Bolle was een van Tyas’  eerste maten die had geaccepteerd dat een Donovan zijn vriendin werd.

Tyas zet een grote mok cappuccino voor mijn neus en neemt zelf plaats op een fauteuil. Ze beginnen te praten over de verschillende festivals die komende zomer in het centrum worden georganiseerd. Ik praat niet mee, want ik ben nog steeds in de war. Ik wil Remy echt niet opgeven, maar mijn ouders, Jareto en Tyas hebben dat al gedaan. Remy is familie, mijn oudste broer… We kunnen toch niet zomaar doorgaan met het leven alsof hij het loodje heeft gelegd? Hij is nog helemaal in leven, alleen als een God. Nog nooit heeft iemand de omgekeerde stap gemaakt: van God naar Master, maar eens moet toch de eerste keer zijn?

Ik begin me af te vragen waarom Remy die stap heeft gemaakt. Wat hebben wij hem ooit aangedaan? Was zijn leven dan zo slecht bij ons? Was hij werkelijk zo ongelukkig?