Afgelopen donderdag stelde ik voor om een verhaal via de blog te posten. Jullie kunnen dan direct meelezen en commentaar leveren. Ik gaf vier verschillende concepten aan en de meeste stemmen waren er voor het eerste verhaal.

De werktitel van dit verhaal is Tot mijn hart stopt. Ik zal iedere week een stukje van ongeveer 2000 woorden plaatsen.
Vandaag het begin van Taïra’s verhaal. (en ja, sorry, het zijn 2035 woorden 😉 )

Ik hoor graag jullie mening: 

****

Een
Vreemd.
Leeg en blanco. Het is de eerste nacht sinds… Hoe lang is het nu geleden?
Het is in ieder geval een poos geleden dat ik een nacht niet heb gedroomd. Het beangstigt me om niet te dromen. In mijn dromen… Zuchtend schiet ik mijn ogen open en staar naar het grauwe plafond. Ooit was het wit geweest, maar de laatste keer dat we het hebben geverfd, is zo’n twaalf jaar geleden. Ik was vijf toen ik deze kamer kreeg.
Remy wilde hem destijds graag hebben, maar wegens veiligheidsredenen moest hij op de eerste verdieping slapen.

Remy.
Een barst in het plafond trekt door naar een van de muren en mijn ogen volgen de brokkelige lijn. De blauwe maandkalender verbergt een gedeelte van de barst en mijn ogen rusten erop.

Eenendertig mei.
Bijna een heel jaar geleden is het nu.
Een herinnering.
Een nachtmerrie.
Een leeg gevoel.
De pijn en het gemis.
Het is de harde waarheid.

Remy is nu bijna een jaar lang vermist. Sinds een jaar is ons gezin een grote muurbloem geworden aan één van de muren die ons deel van de stad beschermt.
Vooral mijn moeder. Sinds Remy’s… het is goed te zien dat ze de pijn en het gemis niet kan verdragen. Ze gaat eraan onderuit en wij – mijn pa, Jareto en ik – kunnen alleen maar machteloos toekijken.
Toekijken met pijn in ons hart hoe moeder wegkwijnt aan haar gebroken hart door het gemis van haar oudste zoon.

Mijn pa had al zijn jongens erop gezet toen Remy net was vermist. Ze moesten en zouden hem vinden, maar niemand heeft hem ooit weer gezien. Remy ging naar zijn werk, de laatste dag dat we hem zagen. Hij ging met de tram, zoals altijd, maar kwam niet meer terug.
Mijn pa kamde ons hele deel van de stad uit. Hij vroeg zelfs of Rick Rivers – mijn pa’s grootste rivaal – of hij aan de Riversside wilde uitkijken naar Remy. Niet dat Remy zonder toestemming van pa of Rick zomaar voet zou zetten op de Riversside, maar hé… We hadden ook nooit verwacht dat hij op een dag zomaar zou verdwijnen.

Pa is – terecht – wanhopig. Remy zou zijn opvolger zijn. Hij zou ons gedeelte van de stad overnemen als pa iets zou overkomen. Dat kan namelijk altijd gebeuren. Als directe Donovan zijnde, is ons – mijn dus ook – leven niet zeker. Al helemaal niet met de Rivers aan de andere kant van de muren. Al is de relatie tussen de Donovans en de Rivers sinds drie jaar stukken verbeterd.

Het centrum van de stad is neutraal gebied. Daar zijn alle winkels, scholen en andere openbare gebouwen. De regels daar worden gezamenlijk opgesteld. Ook de handhaving van de orde wordt samen gedaan, zij het ieder op zijn eigen manier.
Buiten het centrum blijf je op je eigen grond. Het is niet zo dat je meteen kogels door je hoofd krijgt geboord, maar je wordt wel hardhandig teruggezet op je eigen grond.

Behalve ik.
Ik ben Taïra Donovan, de zeventienjarige dochter van Didier en Elly, zusje van Remy en Jareto en de grote liefde van Tyas Rivers.
Juist, Tyas Rivers – zoon van Rick Rivers – is de jongen van mijn dromen en mijn leven. Hij is de enige jongen die zijn handen om mijn hart heeft geslagen en nooit meer zal loslaten. Dat is wat hij mij heeft beloofd.
Tyas is net als Remy een directe opvolger. Wanneer Rick Rivers niet meer in staat is om over de Riversside te heersen, dan zal Tyas hem overnemen.Mijn pa en Rick hebben ieder een derde deel van de stad in hun macht. En dat laatste deel… Dat behoort  tot de Goden, ze noemen het de Hemel, maar ik heb gehoord dat het meer een Hel is. De Goden vrees ik wel, net als iedere andere Donovan en Rivers dat doet.
De Goden zijn iets kwaadaardigs, niet goed. En de dingen die zij uitvoeren, de angst die zij zaaien, de nachtmerries die zij veroorzaken… Te gruwelijk voor woorden en ik wil er liever niet aan denken.
Wat me het meest bang maakt, is dat mijn pa en Rick – de meest machthebbende en sterkste mannen die ik ken – ook voor de Goden vrezen. Dat zegt mij meer dan genoeg: de Goden zijn levensgevaarlijk.
Ze noemen zichzelf Goden, omdat zij denken – of vinden – dat zij over het universum heersen. Niemand weet wie precies er bij de Goden hoort, maar iedereen weet wel dat het allemaal Masters zijn. Masters zijn degenen met de beste capaciteiten en kwaliteitshoge vaardigheden. Zij kunnen alles beheersen, zelfs het hele universum.Er zijn maar weinig Masters in de stad. En de meesten hebben ook nog eens de overstap gemaakt naar de Hemel. Dan ben je geen Master meer, maar een God of Godin.

Mijn pa is een Master, maar hij gebruikt zijn vaardigheden op de juiste manier. Iedereen kan een Master worden, maar dat vergt veel training. En aan iedereen is te zien hoever zij zijn in die training. De sterkte van een persoon is duidelijk zichtbaar aan dé armband. De Rivers dragen deze om de rechter pols, de Donovans om de linker. Hij is gemaakt van metaal en heeft een kleur die je sterkte aangeeft. De mijne is bronskleurig, wat betekent dat ik dus sterk moet zijn, dat ik mijn vaardigheden op hoog niveau beheers. De waarheid is anders.
Ik draag brons om eventuele vijanden af te schrikken, omdat ik mijn pa’s dochter ben. Nog nooit heb ik een minuut van mijn leven getraind en ik beheers mijn krachten dus niet. Ik ken wel een aantal trucs die ik heel af en toe gebruik, maar de rest gebeurt per ongeluk.
Jareto, mijn andere broer en jongste zoon van mijn ouders, heeft ook brons en hij heeft dat eerlijk verdiend. Remy had – heeft zilver. Mijn pa heeft goud, de kleur van een Master. Hij is de enige Master onder de Donovans.

Mijn pa en broers trainden iedere dag. Jareto en mijn pa doen dat nog steeds nu Remy verdwenen is. Ze trainen altijd buiten, weer of geen weer.
Vroeger kon ik daar met veel plezier naar kijken. Als de avonden langer werden, dan ging ik in het gras zitten en keek trots toe hoe mijn broers sterker werden.
Remy zei altijd dat ik ook moest trainen, maar pa vond dat niet nodig. Remy was het nooit met hem eens. Ik beschikte over zoveel ongebruikt talent volgens mijn oudste broer, maar pa wilde er niets over horen. Net als mijn moeder, Elly, hoefde ik niet te trainen. Ik kreeg bodyguards als mijn broers mij niet meer konden beschermen.Remy kwam toen met het idee om mij ook een polsband te geven. Een neppe, zodat mensen wel zouden denken dat ik trainde.
‘Het is zonde van je talent,’ fluisterde Remy altijd samenzwerend tegen me. Ik moest dan altijd glimlachen. Er was tenminste één iemand die geloofde dat ik wel iets kon.
In het geheim trainen, had geen zin want pa hield ons nauwlettend in de gaten.
Jareto zei er nooit iets over. Het was echt iets tussen mij en Remy.
Ik keek op tegen mijn broers, omdat ze allebei erg snel leerden en in een mum van tijd veel vaardigheden onder de knie hadden.
Pa was altijd bezorgd dat hun lichaam het niet aan kon. Zo snel groeiden ze in hun kracht.Omdat ik niet mocht trainen van pa, was Remy ook erg beschermend tegenover mij. Beide broers dachten dat ik me wel kon redden, maar Jareto liet me iets sneller los dan Remy.

Vooral toen Tyas in beeld kwam. Remy moest er niets van hebben dat ik met een Rivers-jongen omging. Jareto vond dat niet zo’n probleem. Ik denk dat hij het wel oké vond, omdat Tyas mij dan kon beschermen en dan hoefde hij niet continu in mijn buurt te zijn. Niet dat ik denk dat Jareto dat erg vond, maar hé… Hij had natuurlijk andere dingen te doen dan alleen maar op zijn kleine zusje te letten.
Remy leek niet zo te smelten van Tyas. Vooral de eerste paar weken niet. Ik denk dat daardoor de band tussen mij en Remy sterker werd. Ja, juist: sterker. Iets wat je niet zou verwachten als een oudere broer zich beschermend zou opstellen. Maar ik zag gauw in dat hij dat deed omdat hij van me hield. Niets of niemand zou mijn leven in gevaar brengen als Remy in de buurt was.
Remy liet zijn bescherming een beetje vallen, toen Tyas zilver behaalde. Pas toen had mijn broer het vertrouwen dat ik in goede handen was.

Ik zal eerlijk bekennen dat ik heel wat dagen bang was, toen Remy net was verdwenen. Voor zijn verdwijning, was hij altijd om me heen. Vooral als ik alleen over straat moest. Ik wist gewoon dat Remy in mijn buurt was. Ik voelde zijn aanwezigheid. Hij nam dezelfde tram als ik naar school ging en stond om klokslag vijf uur weer bij de halte te wachten als de schooldag over was. Iedere dag, vijf dagen per week, bracht en haalde Remy mij op van school. Puur om ervoor te zorgen dat ik veilig en wel was.Ik weet nog goed dat Remy ooit een keer een tram had gemist en niet bij de halte stond toen ik de school uit kwam. Ik had geen idee waarom hij er niet was en raakte redelijk van streek. Ik denk dat ik een jaar of veertien was, Remy was toen achttien.
Toen Remy later thuis kwam, trof hij me half snikkend aan op bed. Ik vertelde hem dat ik bang was dat hem iets was overkomen en dat daardoor mij ook iets zou overkomen.
Remy pakte me toen vast bij mijn handen en drukte iets kleins in mijn handpalmen.
‘Ira,’ dat was zijn koosnaampje voor mij. ‘Ira, ik ben je grote broer. Wij zijn familie. Tot mijn hart stopt, zal ik jou voor altijd beschermen.’ Hij kneep in mijn handen en daardoor drukte het kleine voorwerp snijdend in mijn huid.
‘Tot mijn hart stopt, zal ik voor mijn familie vechten,’ beloofde hij mij. Knikkend keek ik hem aan en Remy stond op. ‘Vergeet dat nooit. Wat er ook gebeurt. Tot mijn hart stopt.’ Hij verliet de kamer en ik opende voorzichtig mijn handen. Een zilveren ring, in de vorm van een drakenlichaam, lag in mijn handpalm.
‘Tot mijn hart stopt,’ herhaalde ik zijn woorden voor mezelf en schoof de ring om mijn duim.

Precies twee jaar later verdween hij en dat is nu dus een jaar geleden.

Geschreeuw van beneden trekt me uit mijn gedachten en ik besef dat ik nog steeds naar de kalender staar. Zachtjes wrijf ik over de ring die nog altijd om mijn duim zit. De drakenring.
Het is benauwd en warm hier op zolder en in mijn ooghoek zie ik een gestalte bij mijn slaapkamerdeur staan. Ik herken Jareto direct en gebaar dat hij binnen mag komen. Hij knipt het licht aan en de bronzen band schittert om zijn pols. Hij is al helemaal klaar om naar school te gaan: een blauw overhemd met opgerolde mouwen wegens het goede weer buiten, een zwarte pantalon en knalrode, versleten, All Stars. Jareto heeft een hekel aan nette herenschoenen en vertikt het om ze aan te trekken.
Maar wat me direct opvalt, is dat Jareto niet zo vrolijk is als normaal gesproken. Een diepe frons staat op zijn voorhoofd, zijn bruine ogen staan donker en zijn haar! Hij heeft ze gekamd?! Iets wat hij nooit doet!
Zijn lippen zijn twee dunne, strakke lijntjes. Er is niets meer over van de dikke lippen die normaal altijd in een grijns staan.

Met een zucht gaat hij op bed zitten en ik kom overeind. Diep haal ik adem en bereid me voor op het slechte nieuws wat komen gaat.